Elkaars waardigheid te bewaren

Mgr. Schraven-lezing, 14 oktober 2012

Erik Borgman

1.
Mij past allereerst een woord van dank. Dankzij de uitnodiging hier te komen spreken, heb ik veel geleerd. Ik kende de Mgr. Schraven-stichting niet – om helemaal eerlijk te zijn, ik heb zelfs wat rondgevraagd om het eigenlijk wel een betrouwbare stichting was en of ik wel op de uitnodiging te komen spreken in moest gaan – ik kende de Mgr. Schraven-stichting niet, maar ik kende ook Mgr. Schraven niet. Toen ik mij enigszins ging verdiepen in zijn levensloop opende zich een deel van de Nederlandse kerkgeschiedenis en geschiedenis die meestal verborgen blijft.
Frans Schraven wordt op 13 oktober 1873 geboren in het Limburgse Lottum en groeit op in Broekhuizenvorst, staat op de website van de Schraven-stichting te lezen. Hij studeert filosofie in Rolduc en theologie bij de Lazaristen in Parijs. Hij wordt in 1899 priester gewijd, draagt op 26 juli te Broekhuizenvorst zijn eerste Heilige Mis op en vertrekt op 5 augustus via Marseille per boot naar China.
Wij hebben tegenwoordig het gevoel dat wij in verbinding staan met de hele wereld en van de weeromstuit denken wij dat de wereld van de meeste mensen tot en met de jaren vijftig van de vorige eeuw maar klein en bekrompen was. Maar katholiek Nederland produceerde eind negentiende en begin twintigste eeuw aan de lopende band jongens als Frans Schraven en het effect was dat haast iedere parochie en heel veel families op een persoonlijke manier verbinding hadden met mensen aan de andere kant van de wereld en met hun leven. Op 10 april 1921 werd Frans Schraven tot bisschop gewijd door zijn neef Frans Geurts, die ook bisschop was in China, en werd hij apostolisch vicaris van het vicariaat Chengtingfu, het huidige Zhengding: u weet dat allemaal wel, het staat gewoon op de website van de Mgr. Schraven-stichting. Hoeveel mensen, zo vroeg ik mij af, hoeveel mensen in Nederland zullen tegenwoordig nog zo’n nauwe verbinding met China en de Chinezen hebben als de familie van Frans Schraven in de jaren twintig van de vorige eeuw. Natuurlijk, via de media hebben wij tegenwoordig waarschijnlijk veel meer kennis van wat er in China gebeurt dan de mensen toen – en kunnen deze kennis in ieder geval verwerven – maar voelen wij onze relatie met China op een vergelijkbare manier aan als een deel van onze geschiedenis?
Voor Frans Schraven was de geschiedenis van China zijn geschiedenis, de mensen in China waren zijn mensen en dat straalde vast en zeker ook af op zijn familieleden – ook al kwam hij, zo heb ik begrepen, maar één keer met verlof. Toen onder president Bush Senior de eerste Irak-ooklog uitbrak, voerde mijn geestelijke familie, de dominicaanse, actie tegen deze oorlog met de slagzin: ik heb familie in Irak. Er is inderdaad Dominicaanse Familie in Irak en het maakt verschil om te bedenken dat wie Irak bombardeert je familie bombardeert. Het concretiseert de christelijke overtuiging dat alle mensen broeders en zusters zijn en dat alles wat we elkaar aandoen we dus onze broers en zussen aandoen.
Dank dus dat u mij hebt helpen bedenken hoezeer Nederlandse katholieken verbonden waren met wereldwijde ontwikkelingen, zichzelf betrokken wisten bij gebeurtenissen waar ze anders ternauwernood weet van zouden hebben gehad. Dat in de jaren zestig het katholicisme van de eerste helft van de twintigste eeuw zozeer werd weggezet als vooral kleinzielig en kleingeestig, ook door katholieken die van zichzelf meenden dat ze daaraan toch inmiddels wel waren ontgroeid, is in dit licht gezien een grof onrecht. Dankzij de dood van Frans Schraven op 9 oktober 1937 waren de mensen in Broekhuizenvorst verbonden met het lot van de vluchtelingen die Schraven had proberen te beschermen – hoezo bekrompen? Hun pijn om de dood van hun dorpsgenoot, hun familielid, hun broer of kind, was op deze manier ook pijn om het lot van vrouwen die bedreigd werden door seksueel misbruik van de kant van Japanse soldaten.
Wij staan hier vandaag, bij de herdenking van de marteldood van Schraven 75 jaar geleden zoals zij er 75 geleden stonden en herdenken in de moord op Frans Schraven ook hun lot, het lot van de talloos velen die overkomen is waarvoor Mgr. Schraven ze wist te bewaren en die vaak niet eens de troost ten deel is gevallen dat er iemand zag wat er met ze gebeurden en zich hun lotgevallen aantrok.

2.
Ik heb niet alleen de achtergrond van Frans Schraven moeten opzoeken, ik moest ook opzoeken wat de situatie in China was, ten tijde van zijn dood in 1937. Ik lees dat Japan het zogenoemde Marco Polobrugincident, waarbij op 7 juli 1937 bij de Marco Polobrug over de rivier de Joengting, nabij de stad Wanping, Japanse troepen door Chinese troepen beschoten werden, ik lees dat Japan het zogenoemde Marco Polobruginciden benutte om vijf divisies China in te sturen: het markeert het begin van de Tweede Chinees-Japanse Oorlog die zou duren tot 15 augustus 1945, de capitulatie van Japan aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Dit soort aanduidingen echter over de gang van de geschiedenis, die grote samenhangende en gestructureerde gebeurtenissen ziet en gewicht hecht aan wereldwijde oorzaken en gevolgen, ziet vaak over het hoofd wat er concreet gebeurt. Precies dit wordt wel zichtbaar als we de dood van Frans Schraven gedenken. Mensen, vooral ook vrouwen en meisjes worden op de vlucht gejaagd, zijn hulpeloos tegenover de stortvloed van geweld die een oorlog betekent, worden daar het slachtoffer van. Doorgaans worden ze hierin niet eens afzonderlijk waargenomen. Dat mensen uit hun huizen worden verdreven, kinderen worden gedood en vrouwen worden verkracht, het wordt doorgaans beschouwd als ‘nu eenmaal’ onderdeel van de oorlog. Betreurenswaardig, maar niets aan te doen. Via de geschiedenis van Frans Schraven komen de duizenden vluchtelingen in beeld die bij de omsingeling van Zhangding op het terrein van de katholieke missie bescherming hadden gezocht tegen het oorlogsgeweld. Nadat er al veel materiële bezittingen door plunderende soldaten waren weggehaald, kwam volgens een getuige de Japanse commandant met enkele soldaten naar het terrein van de missiepost om meisjes en jonge vrouwen te halen om de manschappen na het gevecht ‘te troosten’ door hen seksuele diensten te bewijzen. Ze probeerden Frans Schraven over te halen de vrouwen aan hen over te leveren, maar weigert en houdt vast aan zijn weigering. Daarop vallen de soldaten in de avond de missie binnen en nemen alle Europeanen mee. Kort daarna worden zij vermoord en verbrand: Frans Schraven leeft nog als zijn lichaam in het vuur wordt gegooid.
Het verhaal gaat dat Frans Schraven in de onderhandeling de commandant gezegd zou hebben: ‘U kunt mij doden, als u dat wilt, maar u geven waar u om vraagt, nooit.’ Dat klinkt in onze oren waarschijnlijk net iets te veel naar de retoriek van heiligenlevens en tweederangs films om helemaal geloofwaardig te zijn. Toch lijkt het logisch te veronderstellen dat Frans Schraven inzag dat de soldaten hem inderdaad zouden kunnen doden en dan alsnog zoveel vrouwen en meisjes zouden kunnen meevoeren als zij wilden. Maar Frans Schraven vond blijkbaar dat hij ze onrecht deed door hen over te leveren, ze te zien als de prijs die voor het overleven van hemzelf en andere priesters betaald moest worden. Hij bleef ze zien als mensen, als begiftigd met een menselijke waardigheid die zich ertegen verzet tegen gebruik alsof ze dingen zijn. Zij zijn, net als alle andere mensen, uniek en onvervangbaar en de wereld leidt een fundamenteel verlies als zij van het leven worden beroofd.

3.
Datzelfde geldt natuurlijk voor de negen Europeanen die door de Japanners werden weggevoerd en vermoord, en daarom gedenken wij vandaag in Frans Schraven ook hen. Want gedenken is niet het gemis van gestorvenen en gedoden ongedaan maken door hen bij wijze van spreken zo levendig in herinnering te roepen dat het lijkt of zij nog altijd leven. Gedenken is je realiseren hoezeer zij gemist worden, dat hun leven voortijdig en onrechtvaardig is afgebroken, dat onze geschiedenis minder is dan ze had kunnen zijn omdat zij niet de bijdrage hebben kunnen leveren die zij anders hadden geleverd.
Als de verhalen kloppen is er door het optreden van Frans Schraven voorkomen dat er meisjes en vrouwen door de soldaten zijn weggevoerd, zijn verkracht en zijn gedood. In deze zin was het optreden van Schraven dus een succes. Maar zelfs al was dit niet het geval geweest, zelfs al waren er, nadat de negen Europeanen waren vermoord, wel grote groepen vrouwen meegenomen en was het aantal slachtoffers door het optreden van Frans Schraven dus groter in plaats van kleiner geworden, zelfs dan was zijn optreden goed geweest. Ook dan had hij namelijk hun menselijke waardigheid hooggehouden, was hun dankzij hem de zegen te beurt gevallen dat iemand ze gezien had zoals ze waren: mensen met een geschiedenis en een verhaal en niet slechts mogelijkheden voor soldaten om het seksuele behoeften te bevredigen, niet slechts wisselgeld voor de belaagden om zich mee vrij te kopen. We weten uit tal van getuigenissen van over de hele wereld hoe wezenlijk het voor mensen is om gezien te worden, werkelijk te worden waargenomen in wat hen overkomt, in wat ze te verduren hebben, in de pijn en het lijden die zij moeten verduren.
Wie een gedachtenisplaats inricht, zoals de Mgr. Schravenstichting heeft gedaan met het inrichten van de gedachteniskapel in de kerk van Broekhuizenvorst, die krijgt ook altijd sceptische reacties. Wat hebben wij er nu aan om de slachtoffers uit het verleden te gedenken? Zij worden er niet opnieuw levend mee, wat hen overkomen is, wordt er niet door ongedaan gemaakt en – zo denken de meeste van ons toch – zij merken er ook niets meer van. Vaak wordt er dan gezegd dat gedenken van slachtoffers van onrecht uit het verleden kan helpen om te zorgen dat dit onrecht in de toekomst niet meer voorkomt. Laten we dat laatste hopen. Maar als we het lot van slachtoffers gedenken om te zorgen dat er niet opnieuw slachtoffers zullen vallen, dan gebruiken we zo opnieuw.
Ik zou willen verdedigen dat de nutteloosheid van het gedenken laat zien dat we niets anders op het oog hebben dan de gedode mensen en hun geschonden waardigheid. We houden de overtuiging levend dat met de geschiedenis zoals die gelopen is niet het hele verhaal is verteld dat er over mensen verteld kan worden. Ieder van ons is meer dan zijn lotgevallen, ieder van ons is geliefd kind van God en juist waar de gebeurtenissen dit in alle opzichten tegen lijken te spreken, moeten wij het in herinnering brengen.

4.
Ik vind het heel bijzonder dat de Mgr. Schravenstichting niet alleen Frans Schraven en zijn medemartelaren wil gedenken, maar allen die slachtoffer geweest zijn en zijn van seksueel misbruik. Het is een belangrijk gebaar in een kerk waarin het seksueel misbruik door priesters tot zo’n diepe crisis heeft geleid. Het is ook een gevaarlijk gebaar. In dat klimaat kan immers het gedenken van het optreden van Frans Schraven snel iets krijgen van: zie je wel dat er ook een andere kant is aan de kerk, dat de kerk soms zelfs seksueel misbruik heeft voorkomen. Hoe waar dit ook is en hoe zeer mensen als Frans Schraven de kerk tot eer strekken, zij kunnen uiteraard niet ongedaan maken en herstellen wat elders geschonden en aangetast is. Schraven belichaamde een kerk die ziet wat er met mensen gebeurt, wat ze bedreigt, wat ze dreigt te vernietigen en die, als puntje bij paaltje komt, zelf niet bang is voor de dreiging en de vernietiging. Het is goed dat we ons door hem laten aansteken om ook nu altijd te zien wat er met mensen gebeurt, buiten de kerk, maar ook erbinnen. Mede vanwege de kerk, maar ook ondanks het verzet dat de kerk ertegen aantekent.

Wat mij betreft betekent de seksueel misbruikcrisis in de kerk dat wij onze visie op de kerk fundamenteel opnieuw moeten doordenken. Elke generatie moet dezelfde ontdekking doen, maar misschien moeten we deze ontdekking doen via het seksueel misbruik: alle kwaad dat in de samenleving te vinden is, is ook te vinden in de kerk. Dat het gaat om kwaad dat in de samenleving te vinden is, was tijdens het onderzoek naar de commissie Deetman soms moeilijk duidelijk te maken en werd veelvuldig geïnterpreteerd als het schoonvegen van het eigen kerkelijke straatje – ik weet het uit enige ervaring. Nu, nu we het rapport Samson hebben over seksueel misbruik van minderjarigen in de jeugdzorg, kan iedereen zien hoe dezelfde mechanismen die in de kerk speelden en spelen, ook in jeugdzorg speelden en spelen. Tot en met het bagatelliseren van bevindingen en het goedpraten van misstanden.
Het zou echter vreemd zijn wanneer dit van kerkelijke zijde met triomf zou worden vastgesteld, al was het maar omdat het raar is wanneer een kerk die geroepen is het licht der wereld en het zout der aarde te zijn, blij zou zijn als een bepaalde misstand bij haar niet erger is dan elders. Als mensen van de kerk zouden wij met pijn moeten constateren, als mens van de kerk constateer ik in ieder geval met pijn hoe veelvuldig seksueel misbruik blijkt voor te komen, hoezeer dit met name het geval is bij mensen die om allerlei redenen toch al een zwakkere positie hebben en hoe sterk de neiging is om de gevolgen hiervan te onderschatten, en hoe vaak seksueel misbruik gepleegd wordt door degenen die de betreffende kwetsbaren nu juist hadden moeten beschermen – of dat nu gaat om de kerk of om de jeugdzorg.

5.
Mij leidt onze omgang met seksueel misbruik tot de overtuiging dat wij als samenleving collectief blind zijn voor het feit dat het geweld dat wij associëren met oorlog, in onze samenleving niet afwezig is, maar is ondergedoken. Regelmatig steekt het de kop op: in seksuele intimidatie, in minachting, in de volkomen geïnstrumentaliseerde visie op seksualiteit die aan het einde van de zendtijd via bijna alle kanalen van de commerciële zenders aan Nederland wordt verkondigd. En uiteindelijk ook in seksueel geweld in fysieke zin. Wij leven te midden van het geweld, wij zijn zelf van dat geweld doortrokken en dreigen erdoor te worden aangestoken en dat geweld maakt slachtoffers. Wij zijn geroepen om ons tegen dit geweld te keren onder meer door de slachtoffers van dit geweld te gedenken – en zo tevens in het bewustzijn te houden, tegen de op dit punt actief naar vergetelheid strevende cultuur in, dat dit geweld in ons midden concrete slachtoffers maakt. Gedenken van slachtoffer van seksueel misbruik stelt als het goed is de ongemakkelijke, maar noodzakelijke vraag naar onze eigen rol.
Als het geweld dat onze samenleving en onze kerk doordringt zich onder meer uitdrukt in seksueel misbruik, dat is het gedenken van de slachtoffers van seksueel misbruik een poging onszelf te binnen te brengen aan wiens kant wij behoren te staan. Omdat het in het geval van seksueel misbruik in en vanuit de kerk en bij het seksueel misbruik dat de commissie Samson onderzocht geeft, gaat om minderjarigen, is het goed in dat verband nog eens naar het evangelie te luisteren; we lazen de passage in de liturgie drie zondagen geleden nog:

Jezus ging zitten, riep de twaalf en zei hun: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.’ Hij haalde er een kind bij, zette het in hun midden, sloeg er zijn armen omheen en zei tegen hen: ‘Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij gezonden heeft’ (Marcus 9, 30-37)

Waar dus het tegenovergestelde gebeurt en een kind wordt mishandelt en misbruikt, daar wordt Jezus zelf misbruikt, en de God die hem gezonden heeft – of die mishandeling nu plaats vindt in de kerk of in de samenleving. Vaak wijst dit erop dat mensen zich net als de leerlingen in het Marcusevangelie druk maken over wie de grootste is, in plaats van zich erop toe te leggen de dienaar van allen te zijn.
Maar de Mensenzoon, Jezus zelf, de God die Hij in woord en daad verkondigt is eerder te vinden bij de slachtoffers dan bij de daders en protesteert vanuit de pijn van de slachtoffers tegen wat de slachtoffers doen, of dat nu mensen zijn in de jeugdzorg, of ambtsdragers binnen de kerk. Of, meer in de lijn van het evangelie van vandaag: steeds meer zal de kerk mensen moeten voorhouden en zichzelf moeten voorhouden dat als wij werkelijk Jezus zouden willen volgens wij ons bezit zouden moeten verkopen, zodat we een schat hebben in de hemel (Marcus 10, 21). Steeds worden instellingen die denken dat zij rijk zijn aan deugt en verdienste, of het nu de jeugdzorg is of de kerk, geconfronteerd met hun feitelijke armoede en moeten zij ontdekken dat ze eigenlijk met lege handen staan. Als we dat weer begrijpen, als we weer begrijpen dat we met lege handen staan en niet worden gered door onze rijkdom maar door ons vermogen ons te laten veranderen door degenen wiens geschiedenis wij herdenken, dan is er iets belangrijks met ons gebeurd.
Wat zegt seksueel misbruik over ons eigen gedrag, het gedrag dat in onze samenleving de norm is geworden, onze visie op onszelf en op anderen. Maken wij elkaar niet veelvuldig tot gebruiksvoorwerpen? En hebben wij het dan eigenlijk niet nodig dat er iemand tegen ons zegt, met de woorden van Frans Schraven: ‘U kunt mij doden, als u dat wilt, maar u geven waar u om vraagt, nooit.’ Of, met de eenvoudigere woorden die de titel vormen van het boekje over de gedachteniskapel: ‘Over mijn lijk!’ Zijn wij niet zelf soms geroepen dergelijke woorden te spreken?

6.
Ik ben er nog niet geweest [als u dit leest inmiddels wel], maar via de website heb ik gezien dat de kunstenaar en redemptorist Jan Haen op de panelen die hij maakte voor de gedachteniskapel voor Frans Schraven en zijn gezellen, de gebeurtenissen in 1937 verbindt met de manier waarop Jezus met vrouwen omging. Hiermee zet hij het optreden van Schraven binnen een veel wijdere horizon. Niet zonder meer zijn inderdaad heldhaftige optreden staat dan centraal, maar de waardigheid van vrouwen, de wijze waarop deze veelvuldig geschonden wordt – onder meer, maar zeker niet alleen, door seksueel misbruik – en de wijze waarop Jezus’ optreden dit patroon doorbreekt en zo een nieuwe geschiedenis inzet.
In de gemeenschap die zich om Jezus verzamelde was – zoals Paulus het waarschijnlijk noteerde in een formulering die hem al was voorgegeven – ‘geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw: jullie bent allemaal één in Christus Jezus’ (Gal. 3, 28). Het gaat er natuurlijk niet om dat er geen vrouwen en mannen in de vroege kerk zouden zijn geweest, maar het onderscheid tussen beide, en met name het onderscheid tussen hoger en lager die met het verschil tussen mannen en vrouwen wordt verbonden, die geldt in de kerk van Christus Jezus niet. Wel in de empirische kerk, ook al in Paulus’ tijd, maar niet in de kerk zoals Jezus die steeds opnieuw opbouwt. Waar vrouwen geen genoegen nemen met het feit dat ze geïnstrumentaliseerd worden, een object ten dienste van anderen zijn eerder dan een persoon met een eigen geschiedenis en een eigen waarde, daar is Christus Jezus op bijzondere wijze aanwezig en actief. Omdat hij voor de waardigheid van vrouwen opkwam in een situatie waarin deze waardigheid in het geheel niet gezien werd, en hij dat met de dood moest bekopen daarom mag Frans Schraven gelden als een bijzondere getuige – martelaar – van Jezus.

Eén van de evangelieverhalen waar Jan Haen op zijn panelen refereert, is het verhaal over Jezus die met de Samaritaanse vrouw aan de Jacobsput een gesprek voort, uit het evangelie van Johannes (Joh 4, 1-42) . Dit gesprek geeft deze vrouw het gevoel dat ze gezien en gehoord wordt, dat zij in Gods ogen mag bestaan en ertoe doet. Vervolgens onderstreept Jezus het belang van dit aspect van zijn optreden op een manier die in de Nederlandse vertaling bijna noodzakelijk onzichtbaar wordt. Even een uitstapje, daarom.
In het boek Genesis wil Mozes de naam van God weten, en de Naam die God uiteindelijk opgeeft om aan te duiden wie of wat hij is, is: ik ben die is, die er zijn zal, die toekomst zal geven, een weg zal wijzen, met je mee zal trekken. Ik ben. In het evangelie van Johannes laat Jezus zien dat hij ‘van God’ is door steeds weer te zeggen: ik ben. Ik ben het licht, ik ben het brood, ik ben het water, ik ben de ware wijnstok. In het verhaal over het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw, geeft Jezus, als de vrouw zegt in de komende Messias van Godswege te geloven, een antwoord dat als je het letterlijk uit het Grieks zou vertalen luidt: ik ben de met jou sprekende (Joh. 4, 26). Dat betekent inderdaad, zoals het meestal vertaald wordt, ‘ik, die met je spreekt, ik ben die Messias die je zegt verwachten, die gezant van God waarnaar je uitkijkt. Maar het betekent ook: ik ben van God door en in het feit dat ik met jou spreek. Ik ben De Met Jou Sprekende.
En er is niets nieuws onder de zon: de leerlingen van Jezus die na zijn dood de kerk zullen vormen, zijn verbaasd over het feit dat hij in gesprek is met een vrouw (vers 27). Alsof daar iets te halen zou zijn.

7.
Wat seksueel misbruik doet is mensen tot object maken. Je hoeft niet met ze te praten, je hoeft geen rekening te houden met wat ze zelf willen, je ziet ze alleen maar in functie van je eigen behoeften en je eigen lust. Uit veel getuigenissen van mensen die seksueel misbruik zijn, blijkt dat dit het ergste is en ze meer heeft aangetast dan het fysieke geweld, de pijn, de lichamelijke mishandeling. De reductie tot niets: dat is wat mensen voor het leven kan beschadigen doordat ze er zelf in gaan geloven en ook zelf gaan denken dat ze niet waard zijn, tenzij ze anderen gebruik van ze laten maken.
Dit is wat Frans Schraven in 1937 doorbrak door de vrouwen en meisjes op het terrein van zijn missie niet te beschouwen als middelen om iets te bereiken, maar als personen die niet naar willekeur mochten worden gebruikt en ingezet. Hij deed dat in het spoor van Jezus, die een vrouw, Maria Magdalena, uitzond om zijn leerlingen de boodschap te brengen van zijn verrijzenis. Dat de kerk iets te verkondigen heeft dankt zij aan het feit dat mensen tot spreken komen die doorgaans niet worden gehoord, niet worden gezien, niet van belang worden gevonden. Dat spreken zou zij opnieuw moeten horen.
Misschien kan de Mgr. Schraven-stichting een plaats worden waar slachtoffer van het geweld in onze samenleving, met name ook slachtoffers van seksueel geweld, seksueel misbruik, seksuele intimidatie – misschien kan de Mgr. Schraven-stichting een plaats worden waar deze slachtoffers hun verhaal kwijt kunnen. Een plaats waar niet zozeer geprobeerd wordt hen te helpen en hen hun wonden te laten verwerken – daar zijn talloze zeer deskundigen instellingen voor – maar wordt gezocht naar wat dit eigenlijk over onze samenleving zegt – inclusief over onze kerk – en hoe dat op een goede manier aan de orde zou kunnen worden gesteld.
Gedenken is uiteindelijk een poging om de stemmen in het gesprek dat wij in onze samenleving met elkaar voren die het zwijgen is opgelegd, weer tot spreken te brengen door bij dit zwijgen stil te staan. Laten we ons realiseren hoeveel we niet horen, laten we bedenken hoeveel niet gezegd wordt omdat niemand het wil horen, laten we gedenken hoeveel niet gezegd kan worden omdat mensen het zwijgen is opgelegd en zij niet langer weten hoe ze zouden moeten spreken. En laten we des te scherper luisteren naar degenen die wel kunnen spreken. Hoewel wij zeker pijnlijke dingen zullen horen, kan juist zo de kerk weer een goede boodschap te verkondigen krijgen.

8.
Vijftig jaar geleden werd het Tweede Vaticaans Concilie geopend. Drie jaar later zou het laatste grote document dat het Concilie afkondigde beginnen met de woorden:

Vreugde en hoop, verdriet en angst van de mensen van vandaag, vooral van de armen en van hen die, hoe ook, te lijden hebben, zijn evenzeer de vreugde en de hoop, het verdriet en de angst van de leerlingen van Christus: er is werkelijk niets bij mensen te vinden dat geen weerklank vindt in hun hart (pastorale constitutie Gaudium et Spes, no. 1).

Er is werkelijk niets bij mensen te vinden dat geen weerklank dient te vinden in het hart van de leerlingen van Christus. Dus ook niet de pijn van seksueel misbruik. Laten we opnieuw leerlingen worden van degene die heeft gezegd: Ik ben De Met Jou Sprekende.

Andere taal?